Schimmelpenninckkade 13: Krijn van den Helm

Schimmelpenninckkade 13
hier woonde
Krijn van den Helm
vermoord in Amersfoort
op 25-8-1944
31 jaar oud

Met zijn zwangere vrouw en met hun zoon kreeg
Van den Helm in de laatste periode van zijn leven een
schuilplaats bij zijn schoonouders in Amersfoort. Als
verzetsleider in Friesland had hij veel Joodse
kinderen helpen onderduiken. In de Pieter Bothlaan
in Amersfoort werd hij door de SD’er Faber dood-
geschoten bij het huis van zijn schoonouders.

Krijn van den Helm

Krijn van den Helm werd geboren op 19-10-1912 op de Schimmelpenninckkade 52. Voorouders van Krijn heetten nog Van der Helm. Bij een aangifte van een geboorte was het Van den Helm geworden. Deze kleine verandering in de naam bleek in veel publicaties over Krijn niet te zijn doorgedrongen. Vandaar dat in verschillende publicaties zijn naam op twee manieren werd geschreven.
Krijn van den Helm trouwde op 2-7-1935 met Johanna Cornelia Logtenberg. Zij huurden kamers op de Kl. Nachtegaalstraat 3. Op 6-5-1938 kocht hij voor 2000 gulden het huis op de Schimmelpenninckkade 13 te Amersfoort.

Commies en verzetsheld
Krijn van den Helm begon in Amersfoort als belastingambtenaar, als commies zoals dat toen werd genoemd. Na het begin van de Tweede Wereldoorlog werd hij te werk gesteld bij de Belastingen in Den Haag. Daarom verhuisde het echtpaar naar een huurwoning in de Seringenstraat 32 in Den Haag. Vervolgens werd Van den Helm overgeplaatst naar Leeuwarden waar hij vanaf 24-9-1941 in de Beetgummerstraat 10 een huis huurde voor zijn gezin.
Krijn van den Helm raakte in Friesland al spoedig betrokken bij het verzet. Hij werd meteen door het gehele Friese verzet geaccepteerd als een van de leiders. Hij stond onder commando van de belangrijke organisator van het Friese verzet Jan Evenhuis, het hoofd van de belastinginspectie, zijn werk-collega. Samen met de knokploeg hebben ze talrijke Joden, (waarschijnlijk tweehonderd), vele onderduikers, vooral studenten en piloten en bemanningsleden van bommenwerpers geholpen. Ze pleegden ook overvallen om voedselbonnen te kunnen bemachtigen.
Hij was de oprichter van de eerste knokploegen in Friesland. Een belangrijke actie was de overval op het arbeidsbureau in Leeuwarden. Later zou hij provinciaal leider van de KP (knokploeg) in Friesland worden. Ook was hij medewerker bij de LO, de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. Hij hielp veel Joden onderduiken (ook in zijn eigen huis) en was contactpersoon voor een Amsterdamse verzetsgroep die Joodse kinderen liet onderduiken. Verder zorgde hij voor valse papieren en distributiebonnen. Van den Helm was lid van het verzet onder de schuilnamen Krijn en Jansma. De bezetter noemde hem terrorist nummer 1.

Pacifist
Kees van Houten, Inspecteur van ’s Rijksbelastingen, schreef in februari 1946 in het blad WIJ van Financiën een uitgebreid in memoriam. ‘Lichamelijk was Krijn van den Helm geen krachtpatser, maar hij had wel een ijzersterke wil. Hij was geen avonturier maar een man die uit bittere noodzaak deze taak op zich nam. Hij nam geen onnodige risico’s en was een rustig huisvader en zorgzaam voor zijn vrouw en kind.’ 

Bloemhof schrijft in deel twee van ‘Amersfoort ‘40-‘45′ over Krijn van den/r Helm: Hij was doopsgezind en pacifist. Vóór de oorlog toonde hij zich zeer antimilitaristisch en weigerde als onderofficier de wapens te dragen. Toen hij in de meidagen van 1940 echter in de Grebbelinie met zijn vrienden onder vuur genomen werd, gebruikte hij zijn wapen wel, omdat hij zijn kameraden niet in de steek wilde laten. Hij raakte bij die gevechten gewond.

Belastingaanslag
Begin 1942 kreeg Krijn van den Helm te maken met Jacob de Jonge, een Joodse man die in Leeuwarden woonde. De Jonge had stiekum geld meegenomen toen hij uit Duitsland was weggevlucht in 1938. Na overleg met de baas van zijn afdeling, belastinginspecteur Jan Evenhuis, vond Krijn een manier om Jacob te sparen door zijn belastingaanslag te veranderen. Hij gaf Jacob ook de sleutel van zijn huis. Op 19 augustus 1942 kreeg de familie De Jonge de oproep tot deportatie. Krijn regelde toen voor hen een veilig onderkomen bij Sikma, een betonfabrikant in Heerenveen. Krijn nam zelf hun dochter Ruthie in huis. Dit was het begin van de organisatie, van voornamelijk belastinginspecteurs die veel Joden hebben geholpen, van wie een groot aantal tijdelijk bij Joop en Krijn van den Helm waren ondergedoken. Toen er geen plaatselijke joodse inwoners meer waren die geholpen moesten worden, richtte Krijn zich op Amsterdam.

Oldsmobile
In Friesland was Krijn van den Helm samen met de doopsgezinde dominee Van der Wissel een van de eersten die zich bezig hield met jodenhulp in georganiseerd verband. Daarbij leerde hij Esmée van Eeghen kennen, een verpleegster uit Amsterdam. De dochter uit een rijke koopmansfamilie was zeer bereisd. Zij werd koerierster van Van den Helm. Vermomd als Friese verpleegster ‘Sjoerdje’, bezocht ze onderduikadressen samen met Joop en Krijn. Ook vergezelde zij hem bij ontmoetingen en besprekingen, en bij gevaarlijke opdrachten. Beiden liepen met een revolver op zak. Samen haalden zij neergeschoten geallieerde vliegtuigbemanningen op, door Friesland rijdend in een grote Oldsmobile, die voorzien was van een gestolen nummerbord van de rijkscommissaris. Wapens werden ermee vervoerd, maar ook Joden, die uit Westerbork waren ontsnapt en in Friesland werden geholpen onder te duiken. Deze als ziekenvervoer ingerichte auto bleek een effectief middel. ‘Je hoefde tegen een Duitser maar te zeggen, dat de patiënt een zeer besmettelijke ziekte had – de antibiotica moesten tenslotte nog uitgevonden worden – of de auto flink naar de lysol laten ruiken en ze lieten een ziekenauto ongehinderd doorrijden.’
Krijn van den Helm had vele vrouwelijke medewerkers, onder wie Greta Nijdam, later Ket uit Heerenveen, die één van zijn koeriersters werd, net als zijn vrouw Joop, die haar activiteiten combineerde met de zorg voor hun zoontje, geboren in juli 1942. Naargelang hij meer verwikkeld raakte in het gewapend verzet, werd Krijn de meest gezochte man in Friesland, terwijl zijn vrouw zich steeds meer toelegde op de verzorging van de onderduikers. Wanneer Joop weg was, paste Ruthie de Jonge op de baby en ving de vele vreemden op die naar het huis van Van den Helm kwamen ‘voor zaken’.

Westerbork
Bloemhof vertelt verder, dat ‘Van den Helm bij die ontsnappingen bijzondere dingen meemaakte. Zo werd op een dag een zwangere Joodse vrouw uit een woonbootje uit Twijzelerheide met de Oldsmobile naar het onderduikadres bij de huisarts in Warga gebracht. Daar bleef ze veertien dagen. Daarna werd ze naar een arbeidershuisje in Jelsum, onder de rook van het vliegveld van Leeuwarden, waar natuurlijk veel Duitsers zaten, overgebracht. In dezelfde tijd werd een uit kamp Westerbork ontvluchtte Jood bij een dominee opgehaald en naar hetzelfde adres in Jelsum gebracht. Bij aankomst bleek de ontvluchtte Jood de echtgenoot van de zwangere Joodse vrouw te zijn! Een gelukkig weerzien.’
‘In januari 1944 liet Van den Helm het werk van de LO aan anderen over en ging zich geheel wijden aan de KP. Samen met Pieter Wybenga (‘Geale’) kreeg hij de leiding over de KnokPloeg in Friesland. In maart 1944 werd Esmée verliefd op de Duitse (geen Nazi) militair. Zij ging met hem samenwonen. Bang voor verraad, zij was immers van alles op de hoogte, overwoog haar verzetsvrienden om haar uit de weg te ruimen. Van den Helm verzette zich hier fel tegen. Tenslotte werd haar een ultimatum gesteld: binnen 24 uur Friesland verlaten of de kogel. Esmée vertrok naar Amsterdam.’

SD’er Faber
Johanna, de vrouw van Krijn en hun zoon en Ruthie, trokken in de zomer van 1944 in bij haar ouders, de familie Logtenberg. Krijn had het plan om een KP Midden-Nederland op te richten. De verhuizing bleek een fatale fout. Esmée werd door de SD in Amsterdam opgespoord en onder andere door Pieter Johan Faber -een foute Nederlander- naar Groningen overgebracht. Waarschijnlijk heeft zij niets losgelaten tijdens de verhoren in het beruchte Scholtenshuis. Wel schreef zij een brief aan Van den Helm die zij met het adres van diens schoonouders in Amersfoort aan de SD gaf. Op 25 augustus 1944 reisde de SD-er Pieter Johan Faber samen met zijn broer Karel Faber met de Hauptscharführer Schäper naar Amersfoort. Faber deed zich voor als bevriend KP-er en gaf de brief van Esmée aan Van den Helm af, waarmee op dat moment voldoende vertrouwen werd gewekt. Van den Helm vertrouwde het daarna toch niet en deed op een gegeven moment een poging zijn revolver te trekken. Faber reageerde snel. In de worsteling pakte hij het pistool af en schoot daarmee Krijn van den Helm door het hart. Hij stierf onmiddellijk. Zijn vrouw, zijn schoonmoeder en Ruthie, een jonge onderduiker, waren hier bij. Faber bekommerde zich toen niet om het Joodse meisje en heeft haar niet laten oppakken.

Krijntje en Joop
Naar het lijk van Krijn van den Helm is na de oorlog lang gezocht. Het werd gevonden in een massagraf bij het kamp Amersfoort. Op 1 december 1945 is Krijn van den Helm in aanwezigheid van het hele Friese verzet herbegraven in Leeuwarden op de Noorderbegraafplaats bij andere gevallen verzetsstrijders. Op zijn graf staat een toorts van de Vereniging Friesland 1940-1945. 
Joop werd bij de aanslag op Krijn’s leven gespaard omdat ze zwanger is. Ze moest wel onderduiken. Joop ging met haar zoontje en Ruthie naar Bakhuizen in Friesland, ze beviel daar van Joop en ze maakt daar de bevrijding in april 1945 mee. Na de oorlog overleed Krijntje die bij zijn vader in Leeuwarden werd begraven. Samen met de kleine Joop verhuisde moeder Joop in de jaren vijftig naar Amersfoort. Ze voedde haar zoon alleen op en zou nooit hertrouwen. Joop stierf in 1994 in Apeldoorn waar ze dicht bij haar zoon woonde.

Esmée van Eeghen

Esmée ook vermoord
Op 8 september 1944 werd het uit het Van Starkenborghkanaal in Groningen het stoffelijk overschot van Esmée opgedregd. In haar lichaam werden dertien kogels aangetroffen, vermoedelijk afgevuurd door de Untersturmführer van de SD Knorr in het bijzijn van de gebroeders Faber. Ze werd 26 jaar. 
De moordenaar van Van den Helm Pieter Johan Faber kreeg na de oorlog de doodstraf voor in totaal 27 moorden en werd op 9 juni 1948, als één van de weinige Nederlanders bij wie dit vonnis daadwerkelijk werd voltrokken, terechtgesteld. De straf van Klaas Faber werd omgezet in levenslang omdat niet kon worden bewezen dat hij zelf arrestanten had gedood. Hij ontsnapte uit de gevangenis van Breda en woonde na zijn vlucht naar Duitsland ongestoord dankzij zijn Duitse nationaliteit. Duitsland weigert ingezetenen uit te leveren, hoewel Nederland daar diverse keren om verzoekt. De Duitse rechter vindt dat er bij de executie van Nederlandse verzetsstrijders geen sprake is van moord. De zaak leidt af en toe tot ophef, voor het laatst in 2003, als een journalist zijn verblijfplaats ontdekt. Hij overlijdt in 2012. De vader van Klaas en Pieter, een Haarlemse banketbakker en vooraanstaand NSB’er, is in 1944 geliquideerd door verzetsstrijdster Hannie Schaft.

School, straat en steen
In Leeuwarden zijn een straat en een school naar hem vernoemd. In de school is ook een bronzen afbeelding van Van den Helm aangebracht. De naam van de Krijn van den Helm school is inmiddels aangepast in OBS De Vrijheid.
Op 28 januari 1982 werden Krijn van den Helm en zijn vrouw Johanna Cornelia van den Helm-Logtenberg door Yad Vashem erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren. In 2005 kregen Krijn van den Helm en zijn vrouw Johanna Logtenberg de Yad Vashem onderscheiding. Dit werd postuum aan de nabestaanden uitgereikt in aanwezigheid van minister-president Balkenende. Zij werden daarmee benoemd tot Rechtvaardigen onder de Volkeren, de officiële titel gegeven aan niet-Joden die hun leven waagden om Joden te redden tijdens de holocaust. Het begrip komt uit een zinsnede uit de Talmoed: De rechtvaardigen onder de volkeren van de wereld hebben een plaats in de wereld die gaat komen. Yad Vashem in Jerusalem is een monument voor hen die hun leven waagden om Joden te redden.
In Amersfoort is in de wijk Rustenburg een Van den Helmstraat te vinden. Op 30 april 2015 komt daar een Herdenkingssteen bij op de Schimmelpenninckkade 13.

Huwelijk
Het Joodse meisje Ruthie die bij de familie Logtenberg was ondergedoken is na de oorlog getrouwd met de Joodse onderduiker Max van Dam. Hij zat bij de familie Tommel, de zus en zwager van Krijn, die zijn huis aan de Schimmelpenninckkade 13 huurden. Ruthie en Max wonen nu in Amerika.

.