Geschiedenis

Joods Amersfoort

Joden in Amersfoort in de Tweede Wereldoorlog
In Amersfoort bevond zich 75 jaar geleden een bloeiende Joodse gemeenschap. Er woonden 375 Joden in de stad in de jaren dertig. Dat aantal verdubbelde met uit Duitsland gevluchte Joden, die een veiliger plek zochten na de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938. Amersfoort was interessant vanwege de synagoge uit 1727, de oudste nog in functie zijnde synagoge van West-Europa. In 1941 was de gemeenschap uitgegroeid tot 803 zielen. Bijna de helft daarvan kwam om tijdens de Tweede Wereldoorlog. De meesten van hen vonden de dood door uitputting of de gaskamer in de vernietigingskampen Auschwitz en Sobibor.

Geen categorie heeft meer geleden onder de Duitse bezetter dan de joden. Op 1 juli 1940, kort na de bezetting van Neder land, werd de eerste anti-Joodse maatregel genomen; Joden mochten geen functie meer uitoefenen in de Luchtbescherming. Op 4 oktober werd van alle Nederlandse ambtenaren een ‘ariërverklaring’ geëist. Bijna alle ambtenaren tekenden dit en verklaarden dat ze niet van Joodse afkomst waren. In november van het eerste oorlogsjaar werden alle Joden in overheidsdienst ontslagen. De Amersfoortse burgemeester J.C. Graaf van Randwijck had het hier moeilijk mee. Op 10 januari 1941 kregen 803 Joodse inwoners van Amersfoort een dikke J in hun persoonsbewijs. Dit stempel en registratie gold voor alle personen die geheel of gedeeltelijk van Joods waren.

De Nederlandse joden werden stap voor stap geïsoleerd van de rest van de bevolking. Vanaf 1941 werden verenigingen en stichtingen geliquideerd en het kasgeld in beslag genomen. Vaak moesten activiteiten zonder opgaaf van redenen worden gestaakt. Alleen sportverenigingen mochten doorgaan. Na september 1944 werden alle activiteiten gestopt. Joden werd het eigendom van hun bedrijven afgenomen en mochten zich steeds minder in het openbaar laten zien en vertier zoeken werd ook onmogelijk.

De drie Amersfoortse bioscopen waren vanaf 8 januari 1941 alleen nog maar toegankelijk voor ‘ariërs’ en werden bij Grand Theatre, City Theater en het Rembrandt theater bordjes opgehangen: verboden voor Joden. Af en toe lieten de Duitsers toe dat er concerten werden gegeven in het door hen gevorderde gebouw Amicitia. Voor aanvang van een concert door het Amersfoortse Kunstenaars Genootschap werd vanaf het podium gezegd dat alle Joden de zaal moesten verlaten. Loco-burgemeester Berent Noordewier stond toen als eerste op en de rest van het publiek volgde zijn voorbeeld: iedereen verliet de zaal! Deze loco-burgemeester heeft zich tegen meer anti-Joodse maatregelen verzet. Zo weigerde Noordewier, bij het begin van de bebouwde kom, bordjes met daarop ‘Joden niet gewenscht’ neer te zetten.

Met ingang van zondag 3 mei 1942 moesten alle Joden in Nederland de zespuntige ‘jodenster, een kenteken van geel katoen op hun kleding vastnaaien. De maatregel gold voor volwassenen èn kinderen. Alleen kinderen jonger dan zes jaar mochten zonder ster. In het midden van het stukje gele katoen stond het woord ‘Jood’, in zwarte, pseudo-hebreeuwse letters. Het had de vorm van de Davidster (sinds de negentiende eeuw een bekend joodse symbool). Met de invoering van de gele ster werd het isolement van de Joden compleet.

Op 26 juni 1942 gaf Hauptsturmführer Aus der Fünten het bevel dat alle Joden in Nederland zich klaar moest maken voor deportatie. Dit bevel werd per brief die vrijdagavond doorgegeven aan de Amersfoortse Joodse Raad. Op 5 juli kreeg iedereen, per extra postbestelling, het bevel om zich in Amsterdam te melden voor registratie. In enkele emotionele bijeenkomsten werd in de sjoel, de school en het vergaderlokaal bij de synagoge, aan de Drieringensteeg, vertelde Henri van Raalte, de voorzitter van de Joodse gemeente en de plaatselijke Joodse Raad, dat de deportatie binnenkort van start zou gaan. (Niet veel later is het interieur van de Amersfoortse synagoge gesloopt). De tweehonderd Joodse Amersfoorters die zich hadden geregistreerd moesten eerst naar Amsterdam of Vught gaan. Degenen die naar de hoofdstad gingen werden in augustus naar Westerbork gebracht. Daar bleven ze enige tijd. Vanaf juli 1942 volgde deportatie naar de vernietigingskampen van Auschwitz en Sobibor. In totaal vertrokken 93 treinen vanuit kamp Westerbork richting de kampen in Oost-Europa. Bijna 107.000 Joden waren, grotendeels via Westerbork naar het Oosten weggevoerd. Daarnaast 245 Sinti en Roma en enkele tientallen verzetsstrijders.. In totaal keerden slechts 5.000 mensen terug.

Op 23 april 1943 werd Amersfoort ‘judenrein’ verklaard. De Duitse bezetter zag daarbij over het hoofd dat een paar honderd Joodse inwoners in de stad en vaak op de Veluwe was ondergedoken. Amersfoort kende relatief veel Joden die over voldoende middelen beschikten om een onderduikadres te organiseren. Ook werd er in Amersfoort weinig actie ondernomen om onderduikers te arresteren. Desondanks kwamen 353 (is huidige telling) Joodse Amersfoorters om in de kampen. In Amersfoort is ongeveer vijftig procent van de Joodse bewoners vermoord. Landelijk kwam ongeveer zeventig procent om. In de herfst van 1943 waren de meeste gedeporteerden al omgekomen, door uitputting of de gaskamer

Gedenkrol
Op 13 april 1999 is een gedenkrol met de namen van omgekomen Joodse Amersfoorters onthuld. Op deze ererol staan de namen van 365 gedeporteerden die niet terugkeerden. De Raad van Kerken van Amersfoort schonk dit voorwerp in de vorm van een Torarol aan de joodse gemeente van Amersfoort. Deze was eerst samen met een naamboek tentoongesteld in Museum Flehite te Amersfoort, maar nu in het herinneringscentrum Kamp Amersfoort. De datum, 13 april, refereert aan deze dag in 1943: het moment dat de oproep kwam dat Amersfoort binnen tien dagen volledig Jodenvrij moest zijn.

Ererol voor de Joodse slachtoffers

Verzetsstrijders

Het Nederlands verzet in de tweede wereldoorlog is de verzamelnaam voor alle personen en groepen die tijdens de tweede wereldoorlog weerstand boden aan de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945) en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië (1942-1945). Het verzet kenmerkte zich in vergelijking met andere bezette landen door relatief weinig gewapend en gewelddadig verzet en een zeer succesvolle onderduik, die leidde tot een grote verzetsorganisatie, de LO (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers).

Belangrijk is de definitie van ‘verzet’. Door het ontbreken van een militaire traditie, wapenkennis en -vaardigheden plus de beschikking over wapens, gingen relatief weinig Nederlanders over tot actief gewelddadig of gewapend verzet. Daarnaast was er gedurende de oorlog een sterk groeiend aantal mensen, aanvankelijk Joden, en al snel ook andere Nederlanders, vooral jonge mannen zoals studenten of werklozen, die zich onttrokken aan Duitse maatregelen door onder te duiken. In de eerste decennia na de oorlog werd dit over het algemeen niet echt tot het verzet of zelfs maar de illegaliteit gerekend. Naarmate het aantal onderduikers echter steeg, eind september 1944 na de Spoorwegstaking en een grote golf nieuwe onderduikende stakers als gevolg daarvan, beliep het aantal meer dan 350.000, was ook een sterk groeiend aantal mensen betrokken bij de hulp aan hen.

In de literatuur bestaat de neiging al deze helpers tot het verzet te rekenen. Hun aantal is nooit exact vastgesteld, maar moet om praktische redenen alleen al op meer dan 100.000 gesteld worden op het hoogtepunt van de onderduik – waarbij het uitgangspunt is dat 1 helper de zorg droeg voor ruim 3 onderduikers.

Anno 2010 bestaat echter de neiging om allen die zich actief of passief onttrokken aan of teweerstelden tegen de Duitse bezetters en hun medestanders uit onder meer de NSB, te kenschetsen als verzetsmensen, al was het alleen al omdat ook op bijvoorbeeld het simpele onderduiken zelf steeds forsere straffen stonden, die vaak niet onderdeden voor hulp geven aan onderduikers.

Tijdens de oorlog zijn in totaal ruim 3000 Nederlanders gefusilleerd, bijna allemaal verzetsmensen.

De aanleiding tot ontwikkeling van het verzet ontstond uit de onderduik, aanvankelijk van studenten, die weigerden de Ariërverklaring te tekenen, en daarna Joden en anderen. Al deze mensen hadden vrijwel onmiddellijk voedselbonnen en valse papieren nodig. De illegaliteit bracht mee dat de organisatie van het verzet vrij ‘los’ was, omdat het gevaarlijk was als persoonsnamen werden vastgelegd. Als zulke gegevens in Duitse handen vielen liep de gehele groep het risico te worden opgerold. Men nam een verzetsnaam aan; afspraken werden gecodeerd of uit het hoofd geleerd.

Ook in Amersfoort zijn vele verzetsstrijders actief geweest, zoals bijvoorbeeld in het Soesterkwartier.

Het monument in Rustenburg voor de verzetsstrijders

Jehovah’s Getuigen

Jehovah’s Getuigen werden tijdens de Tweede Wereldoorlog fanatiek vervolgd. Zodra de nazi’s aan de macht kwamen, verboden zij alle religieuze activiteiten van de geloofsgemeenschap. Het verbod werd massaal overtreden wat leidde tot arrestaties. Vervolgens kregen de gelovigen de keus: een afzweringverklaring tekenen en onmiddellijk in vrijheid gesteld worden of trouw blijven aan het geloof. Dat laatste betekende deportatie naar een concentratiekamp. Zo’n zestig procent tekende niet.

Onderzoek heeft opgeleverd dat ook in Amersfoort drie Jehovah’s Getuigen slachtoffer zijn geworden van het naziregime. Deze gegevens zijn aangereikt door de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen in Nederland.

De drie mannen vonden onderdak in het huis van Jo en Agnes Bloemink aan de Asterstraat 33 in Amersfoort. Dit was een belangrijk adres voor de Jehovah’s Getuigen. Hun huis werd gebruikt voor opslag voor voedsel dat vanuit boerderijen van geloofsgenoten vanuit het Noorden en Oosten van het land daar gebracht werd, om vandaar weer verder naar de randstad getransporteerd te kunnen worden. Verder was het een aanloopadres voor koeriers die hier berichten van elders uit het land achterlieten en ophaalden. Het was een onderduikadres en het adres werd ook als overslag voor Wachttoren-publicaties gebruikt.

De familie Bloemink heeft tijdens de oorlog meerdere onderduikers in huis gehad. Van drie van hen staat vast dat ze door toedoen van de nazi’s de oorlog niet overleefd hebben:

Gerard Bos, geboren op 12 april 1924 te Ede. Hij was modeontwerper van beroep. Hij is vermoord op 16 juli 1943 in Neuengamme

Benard Luimes, geboren op 25 februai 1912 te Hengelo. Timmerman van beroep. Hij is geëxecuteerd op 11 oktober 1944 te Vorden.

Anton Remeijer, geboren op 1 augustus 1899 te Deventer. Ook hij is geëxecuteerd op 11 oktober 1944 te Vorden.

‘Onderduiken’ betekende voor Jehovah’s Getuigen iets anders dan de Joden. Voor zover enkele Getuigen uit de handen van de Duitsers wisten te blijven, bleven zij namelijk toch de innerlijke drang tot prediken voelen.
Tevens behielden zij de wens hun godsdienstoefeningen bij te blijven wonen; dus van echt onderduiken in de gebruikelijke zin van het woord was vrijwel geen sprake. Volletijdspredikers onder de Getuigen probeerden ook tijdens de bezetting dagelijks het evangelie met anderen te delen, terwijl zij bovendien een groot aandeel hadden aan het vervoeren van religieuze lectuur en het transporteren van voedsel en andere benodigheden voor de geloofsgemeenschap. Van werkelijk voor langere tijd onderduiken was feitelijk geen sprake.

.