Utrechtseweg 44
hier woonde
FREDERIKA EMMA VAN VOLLENHOVEN-NORT
vermoord in Auschwitz
op 05-02-1943

Frederika Emma Nort wordt op 22 juni 1871 in Groningen geboren als oudste dochter van Joseph Nort en Wilhelmina van der Wijk. Ze heeft nog twee zussen en twee halfzussen en groeit op in een seculier-Joodse gezin. Op haar 26e trouwt Frederika (roepnaam Free) met Salomon van Vollenhoven, eigenaar van een meelfabriek in Amersfoort. Hier worden ook haar twee dochters Rob en Wil geboren. Het gezin woont eerst in de Langestraat, later verhuizen ze naar ‘den Groote Koppel’.

Een actief leven

In Amersfoort leidt Free een actief leven. Ze is lid van vrouwenvereniging Tesselschade-Arbeid Adelt, bestuurslid en mede-oprichtster van de Stichting Badhuizen in Amersfoort en jarenlang regentes van het Amersfoortse Burgerweeshuis. Ze is zich bewust van haar rechten als vrouw en in 1914 wordt ze in Amersfoort actief in het ‘çomité van actie voor het te houden volkspetitionnement tot verkrijging van Grondwettelijke gelijkstelling van man en vrouw, uitgaande van de Vereeniging voor vrouwenkiesrecht’. Haar zuster Betsy Nort is dan al een bekend Nederlands feministe, juriste en politica. Mede dankzij Betsy’s inspanningen wordt in 1919 het Vrouwenkiesrecht ingevoerd en na de oorlog de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen opgeheven.

Remonstrantse kerk

Als Free’s kinderen klaar zijn met hun studie vliegen ze uit. Ze gaan wonen en werken in Indië en daar worden twee kleinkinderen, Annemarie en Liesbeth, geboren. In 1930 zegt Salomon officieel hun lidmaatschap van de Nederlandsch Israëlitische Gemeente in Amersfoort op en ze zoeken dan aansluiting bij de Remonstrantse Kerk. Tien jaar later blijkt deze overgang geen vrijwaring voor de maatregelen waarmee de bezetter Joden na mei 1940 in snel tempo isoleert. 

Repressie door de bezetter

Honoré Blijdenstein, directeur van de Amersfoortse Rijkskweekschool, beschrijft in zijn dagboek hoe de Van Vollenhoven’s worden getroffen door de repressie van de bezetter. Registratie, Jodensterren dragen, verbod om je vrij te kunnen bewegen, beroving van huis en haard, Free moet het allemaal ondergaan als ze al eind zestig is. Ze woont dan inmiddels met Salomon in een kleiner huis aan de Utrechtseweg 44b waar ze na terugkomst van de evacuatie van de Amersfoortse bevolking in de begindagen van mei 1940 is ingetrokken.

In augustus ’42 krijgen alle Joden van boven de vijftig het bevel naar Amsterdam te verhuizen. Free en Salomon brengen hun huisraad onder bij vrienden of laten het op de naam van vrienden overschrijven. Het afscheid is verdrietig en aangrijpend.

Brief bij notaris

In Amsterdam komt ze met Salomon terecht in een rusthuis in de Albrecht Dürerstraat, samen met Mimi en Lien, Salomon’s zussen. Kleindochter Liesbeth schrijft over die periode: ‘Omdat ze niets te doen hadden liepen ze veel, echter niet in parken e.d., dat was voor Joden verboden. Ze mochten ook niet op banken langs de wegen zitten, wat een probleem was voor opa, die last van zijn been had. Ze rustten daarom zo nu en dan op brugleuningen en hekken. Op 26 november 1942 schreven ze een afscheidsbrief van zes kantjes aan de kinderen en de kleinkinderen. Die brief lieten ze achter bij notaris Hoevers met op de enveloppe “Alleen afgeven aan de kinderen als wij gedeporteerd zijn”. Uit de brief blijkt dat Free weinig hoopvol is en een slechte afloop vreest en dat de Duitsers ‘…nu ook al die families uit ’t land brengen, naar waarheen weet niemand zeker, maar zonder eenige hulpmiddel, juist oude menschen. Zoo zullen wij ook wel een beurt krijgen.’

Nooit meer

De Amersfoortse vrienden proberen het echtpaar ook in Amsterdam zo goed en zo kwaad als het kan bij te staan. ‘Er is geen dag om of er komt iemand expres voor ons hier blijft dan een heele middag’. Free is verbijsterd over wat ze meemaakt en ze hoopt dat ‘nooit ons nageslacht zulk een meer dan gruwelijken wreede en onmenschelijke tijd zal kunnen beleven’. 

Opgehaald

Ze heeft een diep gekoesterde wens om haar kinderen en kleinkinderen terug te zien, maar het is haar niet gegeven. Op 27 januari 1943 midden in de nacht tijdens een razzia worden ze ‘opgehaald’ en naar Kamp Vught vervoerd. Van daaruit volgt via Westerbork deportatie naar Auschwitz. Op een uit de trein gegooide briefkaart van 2 februari 1943 staat: ‘Op weg naar Polen, hopen op een weerzien‘. Tóch nog hoop. 

Op de dag dat Free aankomt in Auschwitz schrijft Blijdenstijn in zijn dagboek: ‘Vanmorgen heeft Jeantje Hoevers een briefkaart ontvangen van de Van Vollenhovens: „11.45 – op weg naar Polen.”  Dit is het laatste. Van joden, die naar Polen zijn gedirigeerd, heeft nooit iemand meer iets vernomen. Wij zullen hen nooit meer zien’. Frederika Emma Nort is bij aankomst in Auschwitz op 5 februari 1943 onmiddellijk vergast.

Veel dank aan de familie voor het delen van de familiegeschiedenis.