Jacob Catslaan 35
hier woonde
MOZES MANHEIM
vermoord in Sobibor
op 16-07-1943

Op 3 juni 1882 wordt Mozes Manheim geboren in Rotterdam. Hij heeft een oudere zus, Debora, na hem komen drie broers, Elkan, Izak en Levi, en zus Roosje. Izak leeft tien maanden, Levi zeven dagen. Geen van de andere kinderen overleeft de oorlog.

Twee maanden voor zijn vijftiende verjaardag treedt Mozes als technisch tekenaar in dienst bij Ingenieursbureau J. Schotel in Rotterdam, dat zich ‘specialiseerde in het aanleggen van tramwegen en het maken van waterwerken’.

Op 13.10.1920 trouwt hij met Jettje Froukje Cohen, die als verpleegster werkt in Amsterdam. Na hun huwelijk vestigt het paar zich in de Roo-Valkstraat 7 in Rotterdam, waar op 23 juli 1921 hun enige zoon, Robert Salomon (Bob), geboren wordt. Waarschijnlijk leven zij als liberale Joden.

 

Na het overlijden van de heer Schotel wordt het ingenieursbureau voortgezet door ir. Heederik die gaat samenwerken met bureau Dwars en Verhey. In 1928 vestigt men zich als Dwars, Heederik en Verhey (DHV) in Amersfoort. Mozes blijft zijn werkgever trouw en verhuist mee naar Amersfoort. In 1932 trekt hij met zijn gezin in de nieuw opgeleverde comfortabele woning aan de Jacob Catslaan 35. Vandaar loopt hij in 5/6 minuten naar het kantoor van zijn werkgever.

Na zeven werkzame jaren in Amersfoort viert hij bij DHV zijn 40-jarig dienstverband.
Als DHV in januari 1942 haar vijfentwintig jarig bestaan feestelijk viert schrijft Mozes in het Liber Amicorum, dat door het gezamenlijke personeel wordt aangeboden, een terugblik op een plezierige werkervaring van 45 jaar.

        

Niet lang daarna, in het voorjaar van 1942 krijgt Bob, die zendapparatuur bouwt voor het verzet, een tip dat hij gezocht wordt. Die nacht komen er twee mannen aan de deur om hem te halen, maar gelukkig slaapt Bob bij buren. De volgende dag krijgt hij van zijn ouders dfl 1200,- mee en hij vertrekt op de fiets naar Lemelerveld om daar onder te duiken. Hij overleeft de oorlog.

In augustus 1942 sluit het net zich rond de Joden in Amersfoort. Op 18 augustus moeten alle Joodse mannen tussen 16-40 jaar zich melden en in de dagen daarna worden circa 200 gezinnen afgevoerd naar Amsterdam. Voordat zij hun huis verlaten moeten een politieman en een controleur de boedel van hun huis controleren. Hierna wordt hun huis verzegeld ‘met alles wat zich daarin bevond.’ Een formulier betreffende de inventaris van de Jacob Catslaan 35 vermeldt als datum 31 augustus 1942. Vermoedelijk zijn Jettje en Mozes Manheim op die dag  naar Amsterdam vertrokken. 

Een medewerker van DHV, de heer Niek van Vliet, beschrijft vijfitg jaar na de oorlog hoe ‘mijnheer Manheim’ afscheid nam van de medewerkers bij DHV nadat hij een oproep had ontvangen om zich te melden. Volgens Niek van Vliet was dit het meest tragische moment voor DHV uit de oorlogsjaren. “Toen Manheim er voor het laatst was gaf hij iedereen een hand. Niemand wist goed wat hij doen of zeggen moest…. Toen hij tenslotte wegging liep een van de tekenaars hem achterna. Later vernamen wij dat hij hem onderdak had aangeboden. Maar Manheim weigerde. Hij wilde niet dat er iemand anders in levensgevaar zou geraken omwille van hem.”

In Amsterdam wonen zij op tenminste drie adressen voordat zij bij de laatste grote razzia op 20 juni 1943 worden opgepakt en naar Westerbork gevoerd. In Westerbork lukt het Jettje daar officieel aangesteld te worden als verpleegster. Ook wordt nog (vergeefs) getracht voor Mozes een ‘onmisbaarheidsverklaring’ te verkrijgen van zijn werkgever. Op 12 juli 1943 vertrekken zij met de één na laatste trein naar Sobibor. In Sobibor staat sinds 2004 een gedenksteen voor Mozes en Jettje Manheim-Cohen

Veel dank aan de familie en Royal HaskoningDHV voor de foto’s. Tekst: Jetje Manheim